Tools voor volleybaltrainers

Labels

Oefeningen die je maakt op Volleytools kun je categoriseren door er labels aan toe te voegen. Op deze manier geef je aan wat er met een oefening getraind wordt en op welke manier dat gebeurt. Je kunt labels ook gebruiken in je jaarplanning om aan te geven wat je wil gaan trainen en om te zien wat je al getraind hebt.

De labels zijn ingedeeld in categorieën. De labels zelf en alle categorieën worden hieronder beschreven.

We zijn op dit moment nog aan het werken aan een handige verzameling labels. Als je een bepaald label mist, dan kun je je voorkeur doorgeven via Twitter, Facebook of Google+.

Aanval

De labels in de categorie “aanval” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de aanval.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat aanvallen een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een specifiek aspect van de aanval.

Aanvalssysteem

Een aanvalssysteem bestaat uit afspraken over waar en wanneer er aangevallen wordt, en hoe dit aangegeven wordt tijdens het spel. Het afspreken van een netcodering is een beginpunt van een aanvalssysteem, waarmee bepaalde zones aan het net en op de driemeterlijn een nummer of naam krijgen.

Shot

Een shot is een geplaatste aanval die op halve kracht geslagen wordt.

Shove

Een shove is een bal die door de aanvaller door het blok van de tegenstander geduwd wordt.

Slide

Een slide is een door de middenaanvaller geslagen bal, waarbij de aanloop parallel aan het net achter de spelverdeler plaatsvindt.

Smash

We gebruiken de term “smash” voor een op volle kracht geslagen aanval.

Terug via het blok

Je kunt dit label gebruiken voor oefeningen waarbij de aanvaller de opdracht heeft om de bal gecontroleerd via het blok weer terug in het eigen veld te spelen. Het doel van dit soort ballen is het creeëren van de mogelijkheid om direct opnieuw een aanval op te bouwen.

Tip

Een tip is een aanvalsvariant waarbij de bal kort achter het blok van de tegenstander geplaatst wordt. Gebruik dit label voor oefeningen waarin de tip geoefend wordt.

Uit via het blok

Je kunt dit label gebruiken voor oefeningen waarbij de aanvaller de opdracht heeft om via het blok uit te slaan.

Wipe-off

Een bal die door de aanvaller via het blok uit geduwd wordt, wordt een “wipe-off” genoemd.

Positie 1

Dit label is bedoeld voor oefeningen waarbij de aanval van de speler op positie 1 centraal staat.

Positie 2

Dit label is bedoeld voor oefeningen waarbij de aanval van de speler op positie 2 centraal staat.

Positie 3

Dit label is bedoeld voor oefeningen waarbij de aanval van de speler op positie 3 centraal staat.

Positie 4

Dit label is bedoeld voor oefeningen waarbij de aanval van de speler op positie 4 centraal staat.

Positie 5

Dit label is bedoeld voor oefeningen waarbij de aanval van de speler op positie 5 centraal staat.

Positie 6

Dit label is bedoeld voor oefeningen waarbij de aanval van de speler op positie 6 centraal staat.

Basis

De labels in de categorie “basis” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en oefenen van de basisvaardigheden van het volleybal.

Bovenhands

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de bovenhandse techniek.

Grondcontact

Gewend zijn aan grondcontact is een voorwaarde voor het aanleren van verdedigingsvaardigeden als duiken en rollen.

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren van manieren om veilig te vallen en te wennen aan grondcontact.

Onderhands

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de onderhandse techniek.

Slaan uit stand

Voor een aantal pepper-achtige oefeningen moeten spelers de bal beheerst uit stand kunnen slaan. Gebruik dit label voor dat soort oefeningen.

Voor oefeningen waarbij aangevallen wordt in wedstrijdsituaties beataan andere labels.

Vanggooi

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de vanggooibeweging.

Vangsetup

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de vangsetupbeweging.

Blok

De labels in de categorie “blok” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de blokkering.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat blokkeren een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een specifiek aspect van het blokkeren.

Blokkeersysteem

Gebruik dit label voor oefeningen waarbij getraind wordt op de onderdelen van een blokkeersysteem. Je kunt bijvoorbeeld trainen op een systeem waarbij de middenblokkeerder commit speelt en altijd meespringt met de middenaanvaller aan de overkant van het net. Het alternatief is read-and-react spelen, waarbij de middenblokkeerder eerst kijkt wat de spelverdeler van de tegenstander doet voordat er gesprongen wordt voor een blok.

Uitgangsopstelling

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij een bepaalde uitgangsopstelling van de blokkering getraind wordt.

Individueel blok

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waar het individueel blokkeren getraind wordt.

Tweemansblok

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waar het tweemansblok getraind wordt.

Driemansblok

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarin het driemansblok geoefend wordt.

Positie 2

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij op positie 2 geblokkeerd moet worden.

Positie 3

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij op positie 3 geblokkeerd moet worden.

Positie 4

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij op positie 4 geblokkeerd moet worden.

Opslag

De labels in de categorie “opslag” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de opslag.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat serveren een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een specifiek aspect van de opslag.

Floatservice

Bij een floatservice gaat de bal floaten na de opslag doordat hij zonder te draaien door de lucht zweeft.

Onderhands

Bij de onderhandse service wordt de bal vooruit en omhoog met een gestrekte slagarm uit de hand van de andere arm geslagen. Deze hand houdt de bal op heuphoogte voor het lichaam. Beginners leren meestal het eerst deze manier van serveren.

Spinfloat

Een spinfloat is een gecamoufleerde sprongfloat, waarbij de bal met topspin wordt opgegooid. Door de opgooi lijkt het in eerste instantie alsof er een normale sprongservice uitgevoerd wordt.

Sprongfloat

De sprongfloat is een variant van de floatservice, waarbij vanuit de lucht een floater geslagen wordt na een aanloop en een sprong.

Sprongservice

De sprongservice is een variant van de tennisservice, waarbij vanuit de lucht een bal met topspin geslagen wordt na een aanloop en een sprong.

Tennisservice

De tennisservice is na de onderhandse service de beginnersservice bij uitstek. De bal wordt uit stand met topspin over het net geserveerd.

Servicepass

De labels in de categorie “servicepass” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de servicepass. In België wordt hiervoor ook wel het woord “receptie” gebruikt. Voor de duidelijkheid gebruiken we op Volleytools alleen de Nederlandse terminologie.

We maken op Volleytools een onderscheid tussen servicepass en verdediging. Het verwerken van de opslag van de tegenstander gebeurt met behulp van de servicepass en het verwerken van een aanval van de tegenstander noemen we verdedigen.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat de servicepass een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een specifiek aspect van de servicepass.

Bovenhandse pass

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij de service bovenhands gepasst wordt.

Onderhandse pass

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij de service onderhands gepasst wordt.

Uitgangsopstelling

Je kunt dit label gebruiken voor oefeningen waarin aandacht besteed wordt aan de uitgangsopstelling bij de servicepass en hoe die aangepast kan worden bij verschillende soorten opslagen.

Spelverdeling

De labels in de categorie “spelverdeling” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de spelverdeling. In België wordt er voor spelverdeling ook wel het woord “pass” gebruikt, wat in het Nederlands weer iets heel anders betekend. Voor de duidelijkheid gebruiken we op Volleytools alleen de Nederlandse terminologie.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat spelverdeling een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een specifiek aspect van de spelverdeling.

Bovenhands

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de bovenhandse techniek.

Doortikbal

Dit label kun je gebruiken voor oefeningen waarin je traint op een doortikbal van de spelverdeler, waarbij de spelverdeler meteen zelf probeert te scoren in plaats van een aanvaller aan te spelen.

Eénhandige setup

In noodsituaties is het soms niet mogelijk om de bal met beide handen te spelen. Gebruik dit label voor oefeningen waarin je dit soort situaties traint.

Onderhands

In noodsituaties is het soms niet mogelijk om een bovenhandse setup te geven. Dit label kun je gebruiken voor oefeningen waarbij je deze situaties traint.

Overname vanuit het achterveld

Als de spelverdeler verdedigd, moet een ander de setup overnemen. Gebruik dit label voor oefeningen waarbij een speler uit het achterveld de setup overneemt.

Overname vanuit het voorveld

Als de spelverdeler verdedigd, moet een ander de setup overnemen. Gebruik dit label voor oefeningen waarbij een speler uit het voorveld de setup overneemt.

Penetratie

Als de spelverdeler achterspeler is moet hij of zij eerst penetreren naar het net voordat de setup gegeven kan worden.

Setup achterover

Gebruik dit label voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de achterwaartse setup.

Sprongsetup

Hoe kleiner de afstand tussen de plek waar de setup gegeven wordt en de plek waar de bal geslagen wordt, hoe sneller er gespeeld kan worden. Het geven van een setup uit sprong is dus een manier om het spel te versnellen en het blokkeren moeilijker te maken.

Uit het achterveld

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarbij de spelverdeler setups moet geven vanuit het achterveld.

Zijwaarts

Als de pass heel dicht bij het net gespeeld wordt, is het soms alleen mogelijk om een zijwaartse setup te geven.

Verdediging

De labels in de categorie “verdediging” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van de verdediging.

We maken op Volleytools een onderscheid tussen servicepass en verdediging. Het verwerken van de opslag van de tegenstander gebeurt met behulp van de servicepass en het verwerken van een aanval van de tegenstander noemen we verdedigen.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat verdedigen een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een specifiek aspect van het verdedigen.

Aanvalsdekkingssysteem

Meteen na het geven van de setup moet de verdediging zich instellen op het verdedigen van de aanval die via het blok weer terug komt. Hiervoor bestaan verschillende aanvalsdekkingssystemen.

Bovenhands

Gebruik dit label voor oefeningen waarin bovenhands verdedigd wordt.

Duik

Ballen die onverwacht ver van een speler af gespeeld worden, kunnen verdedigd worden met behulp van een duik. Je zet je af met je benen om in de richting van de bal te duiken.

Duik met aanloop

Ballen die te ver weg gespeeld worden om rennend of met een normale duik te worden verdedigd, kunnen soms met een duik met aanloop alsnog verdedigd worden.

Onderhands

Gebruik dit label voor oefeningen waarin onderhands verdedigd wordt.

Rollen

De rol zelf is eigenlijk geen verdedigingstechniek, maar eerder een manier om gecontroleerd te vallen nadat je de bal verdedigd of gepasst hebt.

Sprawl

De sprawl gebruik je na het verdedigen van ballen als je net niet je evenwicht kunt bewaren. Na het verdedigen van de bal laat je je vallen en breek je je val met je armen en je borst.

Uitgangsopstelling

De uitgangsopstelling van de verdediging is de opstelling die het team inneemt tussen het moment van de eigen service en het moment waarop de spelverdeler van de tegenstander de setup geeft.

Verdedigingssysteem

Er zijn verschillende verdedigingssystemen die elk aansluiten bij een ander type aanvalssysteem waartegen je team zich wil verdedigen. Je kunt dit label gebruiken voor oefeningen waarbij je traint op een verdedigingssysteem of op het omschakelen van het ene systeem op het andere.

Mentaal

De labels in de categorie “mentaal” zijn bedoeld voor oefeningen voor het aanleren en verbeteren van mentale vaardigheden.

Algemeen

Dit label kan gebruikt worden om aan te geven dat mentale training een onderdeel is van een oefening, zonder dat de nadruk ligt op een van de onderstaande aspecten van mentale training.

Emotionele controle

Emotionele controle is het beheersen van emoties om zo een ongewenste invloed van deze emoties op de prestaties tegen te gaan.

Focussen

Optimale focus ontstaat als je op het juiste moment de juiste aandachtsstijl gebruikt om je aandacht te richten op de relevante aspecten van de taken die je uitvoert.

Individuele doelen

Door individuele doelen te stellen kan de motivatie, het doorzettingsvermogen, de concentratie en het zelfvertrouwen van spelers vergroot worden. Daarnaast maken individuele doelen het mogelijk om het gedrag van spelers te evalueren.

Spanningsregulatie

Met spanningsregulatie probeer je om je spanningsniveau te optimaliseren. Je kunt dit label bijvoorbeeld gebruiken voor oefeningen waarbij je traint op het verhogen of verlagen van je spanningsniveau.

Teambuilding

Met teambuilding worden activiteiten en oefeningen bedoeld die gebruikt kunnen worden om van een groep mensen een optimaal functionerend geheel te vormen. Het vaststellen van teamdoelen en een teamcultuur zijn voorbeelden van teambuildingsactiviteiten.

Visualiseren

Visualiseren is het nauwkeurig in gedachten naspelen van een bepaalde situatie, gebruikmakend van alle zintuigen.

Zelfvertrouwen

Een speler met zelfvertrouwen is ervan overtuigd dat hij of zij in de toekomst succesvol kan zijn. Zelfvertrouwen is belangrijk om te kunnen presteren. Je kunt dit label gebruiken voor oefeningen om het zelfvertrouwen te vergroten, bijvoorbeeld door het toepassen van positieve zelfspraak.

Oefenvorm

Met de labels in de categorie “oefenvorm” kun je aangeven welke organisatievorm een oefening gebruikt.

Individueel

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarin de spelers individueel trainen.

Samenwerkende groep zonder net

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarin de spelers in samenwerkende groepen trainen, zonder dat daarbij het net gebruikt wordt. Bij dit soort oefeningen werken de spelers samen om de bal in het spel te houden en is er geen winnaar of verliezer binnen de groep.

Samenwerkende groep met net

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarin de spelers in samenwerkende groepen trainen en waarbij het net gebruikt wordt. Bij dit soort oefeningen werken de spelers samen om de bal in het spel te houden en is er geen winnaar of verliezer binnen de groep.

Spelfase in isolatie

Dit label kan gebruikt worden voor oefeningen waarin een spelfase in isolatie getraind wordt. Bij dit soort oefeningen wordt de rally niet uitgespeeld. Je kunt bijvoorbeeld denken aan inslaan, serveren-passen-afvangen of een vlinderoefening.

Klein team tegen klein team

Gebruik dit label voor wedstrijdvormen waarbij twee teams van één tot vier spelers tegen elkaar spelen met een net tussen de beide teams. Bij dit soort oefeningen wordt de rally uitgespeeld.

Groot team tegen klein team

Gebruik dit label voor wedstrijdvormen waarbij een team van vier tot zes spelers tegen een team van één tot vier spelers speelt met een net tussen de beide teams. Bij dit soort oefeningen wordt de rally uitgespeeld.

Groot team tegen groot team

Gebruik dit label voor wedstrijdvormen waarbij twee teams van vier tot zes spelers tegen elkaar spelen met een net tussen de beide teams. Bij dit soort oefeningen wordt de rally uitgespeeld.

Trainingsonderdeel

De labels in de categorie “trainingsonderdeel” zijn bedoeld om aan te geven in welk deel van een training een oefening het beste past.

Warming-up

Tijdens de warming-up doen de spelers oefeningen die hen voorbereiden op intensief bewegen.

Kern I

Kern I wordt ook wel de aanlerende fase van een training genoemd. Tijdens dit trainingsonderdeel ligt de nadruk op een beperkt aantal aspecten van een vaardigheid en wordt er meestal in kleine groepjes geoefend.

Kern II

Kern II wordt ook wel de inslijpende fase van een training genoemd. Tijdens dit trainingsonderdeel worden de vaardigheden van Kern I herhaald tijdens oefeningen die meer game-like zijn.

Afsluiting

Tijdens de afsluiting van een training worden de vaardigheden die getraind zijn in eerdere onderdelen nog eens herhaald in een wedstrijdsituatie.